Terug

St. Pietersrade

 

 

 

Algemeen

St. Pietersrade is een uitvaartverzekeringsmaatschappij, die een begrafenis- en crematie pakketverzekering naar eigen keuze aanbiedt.

 

In Nederland zijn 2 soorten uitvaartpakketverzekeraars actief:

  1. Verzekeraars die verplicht vallen onder toezicht van (minimaal 1 x per jaar)

1.      DNB (De Nederlandse Bank). Deze houdt een zogenaamd solvabiliteitstoezicht (= voldoende eigen vermogen om de normale financiële tegenvallers op te vangen).

2.      AFM (Autoriteit Financiële Markten). Deze houdt een zogenaamd gedragstoezicht (worden de verzekerden voldoende geïnformeerd over hun rechten en plichten).

  1. Verzekeraars, die niet vallen onder bovengenoemde toezichthoudende instanties. Dit zijn meestal zeer kleine verzekeraars, die gebaseerd zijn op het oude “nabuurs-hulp” begrip.

De verzekeraars, genoemd onder A kunnen weer worden ingedeeld in:

    1. Met winstoogmerk (Dela, Yarden, Monuta enz.)
    2. Zonder winstoogmerk (St. Pietersrade enz.)

Het verschil zit in de premiesamenstelling: bij a. bestaat de premie uit:

        1. een klein deel premie ter dekking van de organisatiekosten
        2. het grootste deel premie voor toekomstige uitvaartkosten
        3. een klein deel premie t.b.v. de winst.

Dit laatste is bij St. Pietersrade niet het geval.

 

St. Pietersrade valt onder categorie A.

Het genoemde toezicht is een afgeleid toezicht. Alvorens een verzekeringsmaatschappij wordt geaccepteerd dient zij eerst een vergunning te krijgen van DNB. Voor die tijd mogen geen verzekeringen meer afgesloten worden. Om een vergunning te kunnen krijgen, worden eerst alle bestuursleden gescreend. Hierbij wordt o.a. gelet op integriteit, deskundigheid en financiële en zakelijke onafhankelijkheid. Ook wordt de financiële gezondheidstoestand van de maatschappij beoordeeld.

 

Wanneer de vergunning wordt verleend en de bestuursleden dus akkoord bevonden zijn, dan wordt het eerste externe toezicht gehouden door:

  1. een accountant (RA of AA), die bevoegd is om wettelijke controles uit te voeren. Deze bevoegdheid is slechts aan een klein aantal accountants in Nederland verleend. De accountant zelf valt weer onder toezicht van AFM en Nivra (Nederlands Instituut van Registeraccountants) of Novaa (Nederlandse Orde van Accountant Administratie Consulenten).
  2. twee actuarissen, namelijk een uitvoerende en adviserende actuaris en een aparte (volledig onafhankelijke van de eerste) certificerende actuaris. Deze actuarissen vallen onder toezicht van het Actuarieel Genootschap.

 

Ad 1.  De accountant dient jaarlijks de jaarrekening van de verzekeringsmaatschappij te controleren, waarbij DNB alleen een goedkeurende verklaring van de accountant accepteert. Wordt deze verklaring niet gegeven, dan kan DNB de vergunning intrekken.

De accountant controleert de cijfers, waarbij hij steunt op de administratieve organisatie (A.O.) van de verzekeringsmaatschappij en de eigen interne controle (I.C.). Deze 2 zaken worden door de accountant beoordeeld op het werkelijk aanwezig zijn en de juiste werking van A.O./I.C.

Deze A.O./I.C. is ook een van de jaarlijkse onderwerpen bij het toezicht door DNB. Is de A.O./I.C. niet voldoende sterk en kan de accountant kleine tekortkomingen niet opvangen met andere controles, dan kan de eerder gememoreerde vereiste goedkeurende verklaring niet afgegeven worden. Gevolg: intrekking van vergunning.

Ad 2.  De uitvoerende/adviserende actuaris berekent de hoogte van de premies en inkoopsommen en de eventuele aanpassing hiervan. De certificerende actuaris berekent de uitvaartvoorziening en de minimaal vereiste solvabiliteit aan het einde van het jaar. Een en ander aan de hand van de door de accountant gecontroleerde gegevens.

 

 

Met betrekking tot de beleggingen is het bestuur verplicht te beleggen volgens de eisen gesteld in een verplicht beleggingsstatuut dat door DNB is goed gekeurd. Het beleggingsstatuut van St. Pietersrade is gebaseerd op het doelrisicoprofiel “defensief”. Bij een dergelijk profiel wordt gestreefd naar een gemiddeld rendement van alle beleggingen van 5% op jaarbasis. Bij deze rendementsverwachting hoort bij een normale conjunctuurcyclus (dus ook een normale recessie) een neerwaartse risicoacceptatie in enig jaar van -10%.

 

 

Ten minste 4 x per jaar wordt de totale beleggingsportefeuille besproken (en eventueel aangepast) met de beleggingsadviseur, die in het bezit is van de beleggingsstatuten en die dus weet hoeveel procent maximaal in de diverse beleggingscategorieën mag worden belegd. Bij deze bespreking is behalve de beleggingsadviseur van de bank (die tevens adviseur is van diverse andere uitvaartverzekeringsmaatschappijen) aanwezig het voltallige dagelijkse bestuur en de accountant, die gespecialiseerd is in uitvaartverzekeringsmaatschappijen en de daarbij behorende beleggingsproblematiek.

Bij het jaarlijks toezicht van DNB wordt telkens uitgebreid ingegaan op de beleggingen

En het risico per beleggingscategorie.

 

 

Bij alle Nederlandse banken komt een defensief risicoprofiel (het minst risicovolle profiel) neer op de volgende verdeling:

  1. 30-35% in aandelen (fondsen)
  2. 60-65% in obligaties (fondsen)
  3. de rest in liquiditeiten (hierover wordt geen hoofdsomrisico gelopen)

Verder is aan de obligaties de eis gesteld dat deze moeten vallen binnen de categorie investment rate (hoge kredietwaardigheid).

 

 

 

 

Er werd reeds meerdere jaren niet meer alles in liquiditeiten (deposito’s enz.) belegd omdat de rente steeds verder daalde (vooral de laatste 3 jaren).

Verder is het verantwoord om te beleggen in aandelen omdat deze op de langere termijn een hoger rendement opleveren, hetgeen strookt met de gemiddelde actuariële levensverwachtingen per ouderdomsklasse.


Deze bedroeg per ultimo 2007

  1. 22 jaar voor alle verzekerden

 

  1. 0-10 jaar voor                  30% van de verzekerden
  2. 10-20 jaar voor                 40% van de verzekerden
  3. 20-30 jaar voor                 15% van de verzekerden
  4. 30-40 jaar voor                  3%  van de verzekerden
  5. 40 en meer jaar voor          12% van de verzekerden

------

Totaal                             100%

 

 

Tot en met het boekjaar 2007 diende de actuaris bij de berekening van de uitvaartvoorziening uit te gaan van een vaste rekenrente van 4% (het gemiddelde rendement op alle beleggingen wordt verondersteld 4% te zijn).

In dit 4% rendement zitten de rente- en dividendopbrengsten, evenals de gerealiseerde (door verkoop) koerswinsten en -verliezen en de ongerealiseerde (beurswaarde is groter/kleiner dan aanschafprijs) koerswinsten en –verliezen op de nog aanwezige beleggingen.

 

Gevolgen van de huidige crisis m.b.t.

  1. Solvabiliteit
  2. Dekkingsgraad
  3. Premie

 

Ad 1. Solvabiliteit.

Deze kan men definiëren als het eigen vermogen/buffer om financiële tegenvallers in normale omstandigheden op te vangen.

Deze solvabiliteit, die berekend wordt door de actuaris moest ultimo 2007 minimaal €116.000 zijn. Hieraan werd ook ruimschoots voldaan.

 

De werkelijk aanwezige solvabiliteit bestaat uit:

1.      Netto winsten

2.      Netto ongerealiseerde koerswinsten op effecten

(netto omdat bij beide rekening gehouden moet worden met vennootschapsbelasting).

 

         De netto winsten bestaan hoofdzakelijk uit:

1.      minder organisatiekosten dan opgenomen is in de premie zoals besproken op blz. 1;

2.      minder sterfte dan volgens de voorgeschreven sterftetabellen door de actuaris is berekend;

3.      hogere beleggingsopbrengsten boven 4%

4.      het premiebestanddeel in de premie

 

Echter bij St. Pietersrade (geen winstoogmerk, zie blz.1) is geen stukje winst opgenomen in de premie.

 

De netto ongerealiseerde koerswinsten (de beurskoers is hoger dan de verkrijgingsprijs) zijn als gevolg van de mondiale crisis veranderd in koersverliezen (de beurskoers is lager dan de verkrijgingsprijs).

 

Gevolg:         Zonder premieverhoging zou ultimo 2008 de solvabiliteit negatief zijn geweest.

                   DNB schrijft dwingend voor dat deze ten alle tijden een bepaalde minimale positieve waarde moet hebben (deze was ultimo 2007

€ 116.000), die ook nog eens jaarlijks moet stijgen.


Ad 2.  Dekkingsgraad.

         Deze wordt gedefinieerd als:

         De beurswaarde van alle beleggingen gedeeld door de uitvaartvoorziening.

De dekkingsgraad moet boven de 100% liggen. Hieraan werd ultimo 2007 ruimschoots voldaan.

 

De totale waarde van alle beleggingen was eind november 2008 lager dan de uitvaartvoorziening t.g.v. de enorme daling van de beurskoersen.

 

Gevolg:         Zonder premieverhoging zou ultimo 2008 de dekkingsgraad onder de 100% uitkomen.

 

Indien de solvabiliteit ontoereikend is (minder dan minimaal vereist) of als de dekkingsgraad onder de 100% uitkomt, dan is iedere verzekeringsmaatschappij verplicht dit onmiddellijk te melden bij DNB. Bovendien dient te worden aangegeven hoe men een en ander denkt op te lossen.

 

De mogelijkheden hierbij zijn:

  1. Pakketvergoeding verlagen
  2. Premie en inkoopsommen verhogen
  3. Een combinatie van 1 en 2
  4. De verzekeringsportefeuille overdragen aan een andere maatschappij, die wel aan alle vereisten inzake solvabiliteit en dekkingsgraad voldoet (en dit is meestal een commerciële verzekeringsmaatschappij die in de premie reeds een winstopslag opneemt en daardoor bijna altijd op een hogere premie uitkomt voor dezelfde pakketvergoeding als de maatschappijen zonder winstoogmerk) .

 

Ad 3.  Premie

St. Pietersrade heeft in overleg met accountant en actuaris gekozen voor alternatief 2, omdat dit het beste uitpakt voor de verzekerden.

 

Door premieverhoging daalt de uitvaartvoorziening omdat in de berekening hiervan dient rekening gehouden te worden met hogere toekomstige nog te ontvangen premies van de verzekerden tot hun actuarieel berekende overlijdensleeftijd.

 

De actuaris en de accountant dienen bij diverse premieaanpassingen te berekenen wat de gevolgen zijn voor de solvabiliteit en de dekkingsgraad. Hieruit blijkt dat 20% aanpassing nodig is om weer voldoende buffer op te bouwen.

 

St. Pietersrade heeft per 10 december jl. een volledig onderbouwd plan van aanpak ingediend bij DNB. Dit plan is op 21 december 2008 goedgekeurd door DNB.

 

Terug